
Er zijn plekken die je niet zomaar vindt. Alberts Lake is zo’n plek. Verscholen achter een gordijn van eiken en wilgen, in de zachte heuvels van de Deux-Sèvres, ligt Alberts Lake, een meer dat zijn geheimen slechts met mondjesmaat prijsgeeft. Het betaalwater is donker en grijs, gekleurd door de kleibodem die Alberts Lake zijn ondoorgrondelijke karakter geeft. Het geeft niets weg. Het laat je raden.
Twaalf jaar geleden reed ik hier voor het eerst naar binnen, mijn zoon Tim naast me op de passagiersstoel. Hij was acht jaar oud. We zeiden niet veel, want het landschap vroeg om stilte: het smalle grindpad door het bos, de eiken die hun takken over het pad vouwden, het zachte licht van een vroege Franse zomerochtend. En toen opende het bos zich, en lag Alberts Lake er ineens: het meer, roerloos en donker, als iets wat al eeuwen op ons had gewacht.
We hadden nog nauwelijks onze spullen neergezet of het gebeurde. Ergens aan de overkant explodeerde het water. Een karper, groot genoeg om het hele meer even te laten trillen, deed een bommetje dat je tot in je ribben voelde. Het water spatte omhoog, cirkels trokken naar alle oevers, en Tim en ik stonden daar met open mond. Geen woord was nodig. Alberts Lake had zojuist zijn visitekaartje afgegeven, met de bruuske zelfverzekerdheid van iemand die weet dat hij de baas is. We begrepen meteen wie hier de dienst uitmaakte.
Er is iets bijzonders aan het delen van een plek als deze met kinderen. Niet omdat je ze wilt leren vissen, al is dat mooi meegenomen. Maar omdat je ze iets wilt laten zien wat buiten de muren van het dagelijks leven bestaat. Dat het water ademt. Dat de oever ‘s ochtends anders ruikt dan ‘s avonds. Dat urenlang staren naar een donker oppervlak geen verspilling is, maar het tegendeel.
We brachten uren door aan Alberts Lake, Tim, later ook Anne en neefje Daan, spelend op de oever, kaarten op de klapstoelen, de tijd vergeten zoals alleen kinderen dat echt kunnen. Af en toe een karper die zich verried, een plotselinge draaikolk in het wateroppervlak, een zware staartslag in de verte, een kring die zich langzaam uitbreidde naar de oevers als een bericht in een onbekende taal. En dan die blik in hun ogen: een mengeling van ongeloof en verwondering die je als volwassene allang bent kwijtgeraakt, maar hier, aan Alberts Lake, even terugvindt. Dat is wat Alberts Lake doet. Het geeft je de wereld terug op zijn oorspronkelijke grootte.

Inmiddels is mijn trouwste reisgezelschap Pip, een Franse waterhond met het temperament van een filosoof en de vacht van iemand die er bewust voor kiest zich niet te laten knippen. Pip begrijpt Alberts Lake op een manier die de meeste mensen niet zullen begrijpen. Hij kan urenlang naast me zitten, zijn blik over het donkere water, zonder iets te zeggen. Hij snuffelt de wind, volgt met zijn ogen de kringen die een vis achterlaat, leest het oppervlak zoals ik het lees. Dat is precies zoveel als je nodig hebt in een vismaat.
Er is een vogel die Alberts Lake voor zichzelf heeft opgeëist op een manier die ik diep bewonder: de wielewaal. Geel als een rijpe citroen, zwart als inkt op de vleugels, en uitgerust met een roep die klinkt als een exotisch fluitsignaal uit een ver tropisch woud. De wielewaal is een buitenbeentje. Een vreemde, flamboyante verschijning in het Noord-Europese landschap, een vogel die eigenlijk niet helemaal hier hoort en daar weinig moeite mee heeft. De meeste mensen lopen er hun hele leven langs zonder hem ooit te zien, of zelfs maar te weten dat hij bestaat.
Ik denk weleens dat karpervisserij en de wielewaal meer gemeen hebben dan op het eerste gezicht lijkt.
Beide zijn ze flamboyant op een manier die niet iedereen ziet. Beide zijn ze geduldig en ongrijpbaar voor wie niet weet waar te kijken. En beide worden ze door de buitenwereld met licht vermakelijk onbegrip bekeken. Wat doe je dan de hele dag, vragen mensen, en je ziet in hun ogen dat het antwoord elke uitleg te boven gaat. De wielewaal zou het begrijpen. Hij zou je een keer aankijken vanuit zijn tak, die rollende roep laten horen, en weer verdwijnen tussen het lover. Meer hoeft het niet te zijn.
Alberts Lake heeft drie wachters. De eerste is de kleine zilverreiger, die elke ochtend al op zijn post staat als ik de oever bereik, roerloos als een standbeeld. Sierlijk en smal, wit als verse sneeuw, staat hij daar met de onbeweeglijke concentratie van een meester. Hij kijkt naar het water zoals ik naar het water kijk: met de diepe overtuiging dat er iets gaat gebeuren, al duurt het uren.
De tweede wachter verschijnt pas als de dag zijn licht intrekt. De bosuil zweeft dan over Alberts Lake, geluidloos als een droom, een donkere schim boven het donker wordende water. Op die uren behoort het meer aan de nacht. De kikkers beginnen. Het bos fluistert. En ergens aan de noordoever, waar de oever overloopt in de bosrand, schuifelt een das naar het water. Laag bij de grond, bedachtzaam, zijn gestreepte kop op en neer. Hij drinkt. Hij kijkt. Hij verdwijnt weer tussen de wortels alsof hij nooit is geweest.
En dan, in de schemering voor de nacht volledig invalt, komen soms de herten. Twee, drie stuks aan de overkant, waar de oever zacht en stil is. Ze drinken met die trage, waardige bewegingen die herten eigen zijn, hun koppen omlaag, hun oren alert op geluiden die wij allang niet meer horen. Pip ziet ze ook. Hij verroert zich niet. Hij weet dat dit niet het moment is voor actie, maar voor getuigen.
En dan is er de wielewaal. Hij verschijnt wanneer hij wil, altijd onverwacht, altijd te snel. Een flits geel en zwart tussen de bomen aan de overkant, vergezeld van die buitenissige rollende roep die door het bos kaatst als een klein wonder. Soms lijkt het alsof hij en de ijsvogel een stille wedstrijd houden wie er het snelst aan de overkant is, twee vlekken kleur die elkaar over het water achtervolgen, de een een spoor van turquoise en oranje, de ander een vuurpijl van geel. Soms denk ik dat hij de enige is die het werkelijke geheim van Alberts Lake kent, en het ook zo wil houden.
Het mooiste aan Alberts Lake is het stalkend vissen. Niet wachten, maar bewegen. Stek voor stek langs de oevers, de bochten om, de bosranden af. Alberts Lake biedt daarvoor genoeg ruimte en mogelijkheden, elke hoek zijn eigen karakter, elke oever zijn eigen verhaal. Je leert het water lezen niet met je ogen, maar met je gevoel. Een plotselinge draaikolk op een verder roerloos oppervlak. Een lichte deining waar geen wind is. Een schaduw die even te groot is voor een blad. Het donkere water geeft niets weg, maar wie goed kijkt ziet genoeg.
De boilies van MTC Baits liggen klaar, zorgvuldig samengesteld voor dit water, voor deze karpers. De haken zijn van Carpwhisper, zo scherp en sterk dat je er bijna oneerlijk mee bent tegenover de vis. Bijna. De spanning zit niet in het zien, maar in het vermoeden. En dan, op een plek waar het water net iets anders beweegt dan het zou moeten, leg je neer en wacht je.
Wat er dan gebeurt laat zich moeilijk in woorden vangen. De lijn spant zich met een plotselinge, hartverscheurende kracht. En dan is er alleen nog het gevecht, het levende gewicht aan het andere einde, de karper die trekt en keert en diepte zoekt. Minuten die uren lijken. En dan ligt hij voor je: groot, oud, prachtig. Zijn flank glimt in het avondlicht als gepolijst koper. Zijn kop zo massief, zijn schouders zo breed en zwaar, dat je even vergeet dat je naar een vis kijkt en niet naar iets veel archaïscher, iets wat hier al rondzwom voor de bossen er stonden, voor de wegen er lagen, voor iemand op het idee kwam Alberts Lake een naam te geven.
Ik houd hem even vast boven het wateroppervlak. Pip snuffelt met gepaste terughoudendheid aan de rand van het net. Ergens in de bomen aan de overkant klinkt, een laatste keer, de onmiskenbare roep van de wielewaal. Dan laat ik de karper gaan. Hij verdwijnt in een beweging, zonder spoor, terug naar de diepte. Terug naar het geheim van Alberts Lake.
Later, bij het vuur, terwijl Pip tegen mijn been aan ligt te slapen en de bosuil ergens boven Alberts Lake zijn stille ronden maakt, denk ik aan Tim op die eerste ochtend. Aan het bommetje dat het water deed exploderen en ons met stomheid sloeg. Aan Anne en Daan en de kaarten en de middagen die geen einde leken te kennen. Aan alles wat Alberts Lake in twaalf jaar heeft gegeven, niet alleen vissen maar ook dat andere, moeilijker te benoemen iets, dat gevoel van even ergens anders te zijn, ergens echter.
Dit betaalwater geeft zijn geheimen niet zomaar prijs. Maar het geeft ze wel, zeker met de hulp van Gerard en Adam, de mannen die dit meer door en door kennen. Zij kennen de spots, de stemming van het water bij elke wind en elk seizoen. Ze delen die kennis met de gastvrijheid van mensen die oprecht trots zijn op wat ze beheren.
Alberts Lake ligt vlak bij Viennay in de Deux-Sèvres, en je vindt Gerard en Adam via The Carp Specialist. Ze verwelkomen je hartelijk. Het enige wat ze je niet kunnen garanderen is de wielewaal. Maar als je geluk hebt, en stil genoeg bent, hoor je hem al vanuit de bomen voor je het water bereikt.
Dan weet je dat je op de goede plek bent.
Pascal van der Hart





Reageer