Geen enkele zichzelf respecterende hengelsportzaak kan zonder: maden! Er zijn maar weinig aassoorten waar zoveel vraag naar is als naar deze wriemelende wormpjes. Of het nu kinderen zijn die graag wat voorntjes willen vangen in de sloot of een doorwinterde wedstrijdvisser, ze verschijnen allemaal graag aan de waterkant met een doosje van dit witte goud. In deze bijdrage vertelt Tom Sintobin hoe hij met maden gericht op zoek gaat naar grote zeelten en brasems…

Ik heb thuis een tuinvijvertje dat is bevolkt door wat karpers en goudkarpers, een vijftal grote windes en twee zeelten. Als ik terug kom van een dagje vissen en wat maden over heb, trakteer ik mijn vissen steevast op een lekker maaltje. Ze gaan dan steevast van standje rust naar standje vreetorgie in een fractie van een seconde en slokken de dwarrelende maden gulzig naar binnen.
Wat interessant is, is dat ze soms uren later nog in dezelfde hoek van de vijver aan het rondscharrelen zijn, ijverig op zoek naar een laatste witte snack. Met gewone vijverkorrels doen ze dat nooit: dan zwermen ze weer uit zodra de laatste aasbrokjes verdwenen zijn.

Lekkernij
Het mag dus duidelijk zijn dat maden voor vissen een echte lekkernij vormen. Als je weet dat deze vliegenlarven, want dat zijn het, een hoog eiwitgehalte bevatten – 30 tot zelfs 60 procent van hun droge gewicht! – en daarnaast tjokvol zitten met essentiële aminozuren, dan hoeft die voorkeur geen verwondering te wekken.
Maden zijn voor vissen wat zoute nootjes voor mensen zijn: verslavend. En ze kunnen er veel, heel veel van op. Zelfs een minuscuul klein baarsje kan een aanzienlijke hoeveelheid maden eten – want strikt genomen is zo’n larve niet meer dan een vliesje met wat lekkere (voor een vis dan toch) vloeistof in. Als visser kan je daar een wijze les uit trekken: je kunt nagenoeg onmogelijk te veel maden voeren…
Geïnspireerd door een aantal Britse boeken over zeelt, met name van Chris Turnbull, begon ik een aantal jaar geleden ‘serieus’ met grote hoeveelheden maden te vissen op grote witvissen. Dat legde me geen windeieren moet ik zeggen: net als de bewoners van mijn tuinvijvertje waren ook wilde vissen er dol op. Op wateren waar veel voorntjes, grondels en baarsjes zwemmen is de aanpak die ik in dit artikel ga beschrijven niet heel handig, maar wie wateren kent waar die nauwelijks of niet voorkomen, moet deze aassoort als ‘specimen hunter’ echt eens een kans geven.

Taktiek
Voor mijn madenvisserij gebruik ik zelf speciale madenkorven van het merk Korum, de Camo Grub Feeders. Deze lijken erg op gewone method feeder korfjes, maar ze zijn dichtgemaakt, met kleine gaatjes in waar de maden onder water kunnen uitkruipen. Doordat ze dat doen, ontstaat er een spoor van wriemelende larven op de bodem van het water – en dat lokt vissen van heinde en verre aan.
Bovenop deze korf zit een heel klein clipje waarin je je haaksteel kunt klemmen. Zo weet je zeker dat je onderlijn niet in war komt tijdens de worp, en ook is je haakpunt dan beter beschermd tegen eventueel alg op de bodem. De onderlijn hang ik aan een klein warteltje, dat ik dan met een speciaal daar voor ontwikkelde kraal in de korf kan trekken.
Zodra de vis zich heeft geprikt op het gewicht van de korf (ik vis nooit zwaarder dan 35 gram) schiet deze kraal uit de korf, waardoor de vis het gewicht ervan niet kan gebruiken tijdens de dril om al kopschuddend de haak uit zijn bek te krijgen. Voor de volledigheid noem ik hier even de precieze naam van dit ontzettend slimme systeempje: Korum Camo Bolt Buffer Bead – QC. QC staat voor ‘Quick Change, want je kunt je onderlijntje heel makkelijk veranderen als dat moet, bijvoorbeeld omdat de haak niet meer scherp is of omdat je de lengte wil veranderen.

Mijn onderlijntjes zijn doorgaans erg kort– meestal tussen de 8 en de 12 centimeter. Zo weet ik namelijk zeker dat mijn haakmaden vlakbij de bron liggen en door vissen die het spoor volgen kunnen worden gevonden. Op de haak – een vlijmscherpe nummer tien met een korte steel – prik ik eerst twee of drie maden, gevolgd door één kunstmade. Die laatste is van rubber en zorgt ervoor dat de maden netjes in de bocht van de haak blijven, zodat de punt vrij blijft en perfect kan prikken als een vis het aas oppakt.
Meestal neem ik een rode kunstmade, omdat ik het gevoel heb dat de vissen mijn aas zo sneller kunnen vinden. In Engeland vissen sommige vissers uitsluitend met kunstmaden aan de haak, dus zonder ook wat levende exemplaren erbij te prikken. Dat heb ik zelf nog niet geprobeerd, maar ik weet dat het zeer effectief kan zijn, vooral op wateren waar kleinere visjes levende maden de hele tijd zitten leeg te sabbelen.

Voertapijt
Als ik met boilies vis, dan ben ik zeer voorzichtig met voeren: voor je het weet zijn de vissen verzadigd voor ze bij je aas zijn aanbeland. Zoals ik al schreef, kan je met maden echter nauwelijks of niet overvoeren, en ik hou er dan ook van om er zo veel mogelijk op mijn voerstek te krijgen. Door hun felle witte kleur en zeker ook door hun vrolijke gewriemel vormen ze dan namelijk een trekpleister van jewelste.
In Engeland zweren ze bij rode maden voor met name zeelt, maar die zijn bij ons verboden omdat de kleurstof die erin zat, “Soedan-rood”, kankerverwekkend scheen te zijn. Maar gelukkig is ook een wit voertapijtje erg opvallend onder water. Die grote hoeveelheden maden breng ik op verschillende manieren naar mijn stek.
Ten eerste gebruik ik een zogenaamde ‘spomb’: een grote korf die je met voer vult, vervolgens met een stevige hengel uitgooit en die zich dankzij een zeer ingenieus systeempje pas opent als hij de bodem raakt. Door een paar keer uit te werpen voor ik begin te vissen, leg ik een eerste voertapijt aan.

Ten tweede schiet ik af en toe bollen aan elkaar gelijmde maden naar mijn stek met de katapult, om zo het buffet lekker bij te vullen. Die madenlijm kan je in elke hengelsportzaak wel vinden. Doe wat van dat poeder in een bakje maden, sprenkel er wat waterdruppels op – en je zult zien dat de maden aan elkaar gaan kleven.
En ten derde breng ik natuurlijk ook bij elke worp wat maden weg via de korf. Vaak prik ik dan ook nog een PVA-kous vol met maden op de haak, om het geheel nóg aantrekkelijker te maken. Ik doe dan steevast eerst een klein beetje mini-pellets in de PVA-kous, zodat ik de haak daartussen kan prikken. Als je dat namelijk gewoon tussen de maden doet prik je er namelijk te vaak een lek, en daardoor lost de PVA al op voor je hebt ingegooid.
Je leest het: ik gebruik echt veel aas. Voor een dagje zeelten of brasemen heb ik toch al snel 2 tot 3 liter maden nodig. Soms hoor je mensen wel eens beweren dat zoveel voer nergens goed voor is en dat de kans dat de vis jouw haakaasje vindt wel heel klein wordt te midden al dat lekkers. Ik weet dat dat logisch klinkt, maar toch is het me al vaak overkomen dat ik binnen de minuut na het ingooien al een aanbeet krijg.

Effectief
Maar waarom zou deze aanpak nu zo effectief zijn? Alleen de vissen zouden het ons echt kunnen uitleggen, maar die vertikken dat, dus we kunnen alleen maar speculeren. Ik denk dat het voornaamste voordeel van grote voerstekken met maden erin bestaat dat deze situatie heel erg goed lijkt op het natuurlijke aas waar zeelten en brasems doorgaans op azen: muggenlarven!
Ook die liggen heel geconcentreerd en in grote hoeveelheden bij elkaar in de modder. Het is me ook opgevallen dat vissen doof en blind lijken te worden zodra ze aan hun vreetorgie zijn begonnen.

Zelfs als een van hun vriendjes door het plafond gaat, azen ze vaak onverstoorbaar door. Zeelten en brasems zwemmen in scholen en als je er een vangt, is het dus zaak om zo snel mogelijk weer je hengel uit te gooien. Vaak onthaak ik de vis dan in het net in het water, en gooi ik eerst weer in voor ik de meetlat en de unster pak. Het is me al vaak overkomen dat ik een tweede vis stond te drillen nog voor ik de andere had teruggezet!
En tot slot denk ik dat grote voerbedden met maden ook erg dressuur-doorbrekend kunnen zijn. Het bewijs daarvan zijn de grote karpers die ik elk jaar als bijvangst mag noteren: op de drukbeviste wateren van tegenwoordig behandelen die beesten elke boilie met fluwelen handschoenen, maar met maden verliezen ze hun laatste restje zelfbeheersing

Aas bewaren
Maden moet je goed behandelen. Vergeet niet dat het larven zijn die op de juiste omstandigheden wachten om te verpoppen, zodat ze daarna kunnen uitvliegen. Ze wachten meer bepaald op de juiste temperatuur om hun gedaanteverwisseling te starten. Het is dan ook verstandig om je maden koel te bewaren. Zet ze dan ook niet in de vlakke zon tijdens het vissen, en neem een koeltasje mee met een koelelement om de maden in te bewaren die je nog niet gebruikt!
Een bijkomend voordeel van het gekoelde bewaren van maden is dat ze niet zo snel gaan zweten dan. Zwetende maden ruiken heel fel naar ammoniak, en dat is een geur die lang niet alle vissen weten te waarderen.

Een truukje om maden wekenlang goed te kunnen houden, is ze in een plastic zak te doen en die dan af te sluiten met zo weinig mogelijk lucht erin. Leg het geheel dan in de koelkast en je zult zien dat de maden totaal bewegingloos worden. Ze sluiten dan zoveel mogelijk hun levensfuncties af om in leven te blijven, maar als ze dan later tijdens je visdag weer gewoon in de warmte komen, worden ze na verloop van tijd weer wakker.
En tot slot kan je maden na de visdag ook gewoon invriezen. De aan de waterkant gestorven Engelse zeeltvisser Tony Miles schreef een keer dat dode maden gemiddeld hem grotere vissen opleveren dan levende – het is maar een weetje.
Ik wens jullie allemaal heel veel succes toe als je deze techniek gaat uitproberen!

Reageer